Elke donderdag vind je hier een column die Carice van Houten een paar jaar geleden schreef voor het stadsmagazine NL20.
De tekst die je hieronder vindt, is de originele mail zoals Carice die destijds verstuurde naar de redactie van NL20.
|
| |
From: carice van houten
Date: 23 juni 2005
To: NL20
Subject: column
|
| |
|
Als je bij de film werkt krijg je er op een dag onvermijdelijk mee te maken, figuranten. Ik vind figuranten soms heel ontroerend.Toen ik acht jaar geleden begon met film,kon ik nog niet zo goed shiften wat echt belangrijk voor me was. De allemansvriend in mij wilde iedereen op de set aardig vinden en door iedereen aardig gevonden worden. Ook voelde ik me tegenover figuranten vaak op een vreemde manier gegeneerd. Het feit dat ik een grotere rol had en als een koningin werd behandeld, terwijl zij uren in de regen stonden te wachten, compenseerde ik met het me tot vervelens toe te verdiepen in de figurant. Met als resultaat dat ik me eigenlijk niet kon concentreren op wat ik moest doen. Als ik bijvoorbeeld een scène moest spelen waarbij ik mijn suïcidale broer dood in bad moest vinden, liet ik me gerust een paar minuten ervoor inlichten over ’t wel en wee van iemands kleinkinderen of over iemands rijke figuratieverleden. Tegenwoordig blijf ik vriendelijk maar probeer het contact een beetje uit de weg te gaan. |
| |
|
Vorige week hadden we nightshoots in een voormalig ziekenhuis. Uit het wonderlijke figurantenblik dat Nederland rijk is, zijn voor deze nachtopnames 15 nepverpleegsters, neppatiënten en nepchirurgen getrokken. Ik zit in de ‘acteursruimte’ te wachten met mijn medespelers... Er stormt een figurant, type orgeldraaier, binnen, gekleed in een gestreepte pyjama. Hij stelt zich voor als Ruud. Hij is al langs de kleding geweest en is verkleed als patiënt... Ruud heeft er zin in.Hij shudt met z’n hoofd,trekt een theatrale frons en zegt gespeend van elke vorm van geloofwaardigheid: ‘O, O, O mensen, wat ben IK ziek zeg. Ik ben ZO ziek.’ Vervolgens komt een goedlachse zonnebankbruine ‘patiënte’ binnen.Ria.Haar haar heeft de kleur van een verotte aubergine met hier en daar een reep oranje. Om haar nek hangt een gouden olifantje want ze ‘heeft iets met kuddedieren’. Ria heeft al de hele dag in de brandende zon op de markt gestaan, maar is alles behalve pessimistisch over deze nacht . Ook Ria heeft zin in vanavond. Ze is het type figurant waar ik van hou. Klaagt niet over het schamele figurantenloon, heeft geen werkelijke acteerambities maar heeft er heel veel plezier in... Als ’t aan Ria ligt figureert ze zich een ongeluk, zo leuk vindt ze het. |
| |
|
Ruud zit ondertussen nog altijd lekker in z’n rol en zegt veelbetekend tegen Ria, die een verpleegsterskostuum aankrijgt; ’Zo zustertje, kunt u mij alstublieft beter maken?’. Hij trekt met z’n wijsvinger de wal onder z’n oog naar beneden. ‘Ja, met Ruud kan je lachen’. We worden naar de set geroepen. Daar staat de rest van de figuratie, verkleed als ‘bezoeker’ of ‘familielid’. Onder de ‘bezoekers’ zijn puisterige jongens die er bij staan alsof ze met 9-1 verslagen zijn bij volleybal en waar het gebrek aan enthousiasme uit elke verstopte porie komt. Een andere ‘verpleegster’ van het type dat er ‘alles voor over heeft’, staat buiten een sigaret te roken. Op weg naar het toilet om me te concenteren op een lastige scène, loop ik met een bescheiden boogje om Ruud heen. Maar hij heeft me al gezien. ‘Hé, nou zie ik ’t’, zegt-ie, ‘jij bent toch die poes. Poes Minoes. Mijn kleinkinderen zien jou iedere dag...’ |
| |
|